De KNIL-kist van mijn vader

In 1965 vestigden tachtig Molukse gezinnen zich in de Bomenbuurt, bij de Rijnhaven, bekend als de Molukse wijk. Ze kwamen uit een achttal plaatsen, waar zij in veelal houten woonbarakken verbleven. Het aantal gezinnen is inmiddels gegroeid tot ruim driehonderd gezinnen nu. Zij vormen een hechte gemeenschap, trots als zij zijn op hun Molukse cultuur.

In 2015 wordt het vijftigjarig bestaan van de Molukse gemeenschap alhier herdacht, waarbij het Molukse erfgoed centraal staat. Onder andere wordt een gedenkboek uitgebracht met een speciale tentoonstelling. Onder leiding van een Stuurgroep, die in de Viersprong een vaste rubriek mag verzorgen. Onderstaand de vijfde bijdrage, van Tjak Reawaruw.

Familiefoto_oomtjak

De KNIL-kist van mijn vader

Het moet in 1988 zijn geweest. De renovatie van de woningen in de Molukse wijk was in volle gang. Mijn zus, die nog in ons ouderlijk huis woonde, moest tijdelijk naar een wisselwoning. Samen maakten we ons gereed voor de verhuizing.

In de schuur stond, verborgen in een donkere hoek, de KNIL-kist van mijn vader. Elke man die, net als mijn vader, dienst nam bij het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) kreeg zo’n kist om er zijn persoonlijke spullen en die van zijn gezin in te doen. Mijn vader was reeds lang geleden overleden. Die kist uit lang vervlogen tijden stond daar al heel lang. Zo lang …. dat het me niet meer opviel dat hij er stond.

Juist de week ervoor liep ik nog door het Moluks Museum, toen mijn oog viel op precies zo’n zelfde kist. Mijn nieuwsgierigheid was geprikkeld en ik deed wat ik zelf nooit eerder heb gedaan: ik maakte hem open. Het werd een ontdekkingsreis. Vol herinneringen aan vertellingen van vroeger. Er zaten vergeelde foto’s in. De meeste mensen daarop herinnerde ik mij nog goed, al wist ik sommige namen niet meer. Velen waren reeds overleden. Ik kwam oude, muf ruikende uniformen tegen. Desondanks zaten ze nog voelbaar strak gestreken in de plooi. Vanwege het stijfsel natuurlijk. Ik pakte een licht verroeste parang (kapmes) op. De sporen erop waren nog goed zichtbaar. Een teken dat er echt mee was gewerkt. In gedachten zag ik mijn vader in zijn negeri (dorp) als jonge sterke man. Met dat mes trok hij door de rimboe. Links en rechts kappend om zich een weg door het oerwoud te banen. Om het land van zijn voorouders te bewerken alvorens nieuw zaaigoed te planten. Of om er vruchten mee te oogsten. Of samen met zijn vader en zijn broers een sagoboom te kappen en die uit te hollen.

Zou mijn moeder het mes ook hebben gebruikt? Of was dit recht slechts aan mijn vader voorbehouden? Ik weet nog wel dat hij het mij eens trots liet zien. Een kostbaar aandenken en enige erfstuk van zijn vader. Het moet uit respect zijn geweest dat mijn moeder zich toen op afstand hield. Bij mijn weten heeft ze het mes nooit zelf in de hand genomen.

Er lagen ook spullen van haar in de kist. Een hele set rantang (pannen) die op elkaar gestapeld waren. Ze werden aan twee zijkanten bij elkaar gehouden door aan elkaar verbonden platte stelen. In gedachten zag ik haar bij een evacuatie zich uit de voeten maken. Op de loop voor de vijand. Met mij op haar heup en mijn broertje huilend in een slendang (draagdoek) op haar rug. En die pannenset gevuld met heerlijke gerechten en rijst in haar vrije hand. Zo gingen wij het onzekere tegemoet, zonder mijn vader. Die was op patrouille in de buurt of op actie ergens ver weg.

Verder zoekend in de kist vond ik een tjobe, een vijzel met een losse hamersteen voor het fijn wrijven van kruiden. Deze had de vorm van een schotel met een opstaande rand, één geheel vormend met een stevige dikke onderkant. Het voorwerp leek gemaakt van een speciaal soort zware steen. Donker van kleur en regelmatig grijs gespikkeld. Het dagelijkse gebruik had aan de binnenkant veelkleurige sporen nagelaten. De krachtige oosterse kruiden die erin waren vermalen, waren zelfs nu nog licht doch merkbaar te ruiken. Het volgende voorwerp moet zonder twijfel aan mijn vader hebben toebehoord. Het was zijn vertinde ovalen etensbak met een deksel erop. Deze bak kon je op dezelfde wijze als het pannensetje van mijn moeder aan elkaar laten drukken met een soepele steel van lichtmetaal. Binnenin lag het bijbehorende bestek, gereed voor gebruik. Ik stelde mij voor hoe mijn vader het eetgerei dankbaar hanteerde. Dankbaar, omdat hij het er die dag weer levend vanaf had gebracht. Dankbaar ook omdat hij eindelijk zijn honger kon stillen en zijn dorst kon lessen. Tijdens het bidden moet hij steeds aan zijn vrouw en kinderen hebben gedacht. En hebben gehoopt dat hij hen spoedig weer zou zien …..

Plotseling werd mijn dagdromerij wreed verstoord. Ongemerkt was mijn broer binnen gekomen. Hij legde zijn hand op mijn schouder en zei dat de verhuisploeg er was. Gehaast deed ik de kist dicht. Voor hoe lang …..?