“Hoe het voor mij begon…”

In 1965 vestigden tachtig Molukse gezinnen zich in de Bomenbuurt, bij de Rijnhaven, bekend als de Molukse wijk. Ze kwamen uit een achttal plaatsen, waar zij in veelal houten woonbarakken verbleven. Het aantal gezinnen is inmiddels gegroeid tot ruim driehonderd gezinnen nu. Zij vormen een hechte gemeenschap, trots als zij zijn op hun Molukse cultuur. In 2015 wordt het vijftigjarig bestaan van de Molukse gemeenschap alhier herdacht, waarbij het Molukse erfgoed centraal staat. Er wordt o.a. een gedenkboek uitgebracht met een speciale tentoonstelling. Dit alles onder leiding van een Stuurgroep, die in De Viersprong een vaste rubriek mag verzorgen. Onderstaand de zesde bijdrage, van Willem Peters, door familie en vrienden Wim Peters genoemd 

 

Eerste_bewoners-alphen

 

 

Ik ben oud-Alphenaar en niet geheel onbekend bij de Alphense Molukse generatie van de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Inmiddels heb ik al ruim twintig jaar geleden Alphen verlaten en ben ik thans woonachtig en werkzaam in Den Haag. Ik ben gevraagd om als vrijwilliger (dus belangeloos) mee te denken en te werken aan een beoogd boekwerk rond het vijftigjarig bestaan van de Molukse wijk in Alphen. Daar heb ik onmiddellijk positief op gereageerd.

Mijn betrokkenheid bij Molukkers was er in mijn jonge jaren in het geheel niet. In mijn herinnering werd op de lagere school een enkele keer bij aardrijkskunde de naam Molukken genoemd, een groep eilanden tussen o.a. Timor en Celebes. Er was verder weinig informatie behalve dat de kruidnagel grotendeels daaruit afkomstig was. Dat was voor niemand boeiend en we begrepen niet meer dan dat het onder de eilanden viel van Nederlands-Indië. Wel is er een levendige herinnering bij mij aan de benaming Ambonees. Ik zal een jaar of acht zijn geweest toen mijn moeder verhuisde van de Hooftstraat naar een flatwoning in de Willem de Zwijgerlaan. In ons portiek woonde een Indische familie met vijf kinderen. Al vrij snel was ik daar kind aan huis door hun vriendelijkheid en bovenal de gastvrijheid. Het was 1958 en wij hadden nog geen televisie, maar de Indische familie wel. Zodra ik uit school kwam, ging ik naar deze familie en ik werd altijd hartelijk ontvangen. Er werden platen gedraaid van onder anderen de Everly Brothers: Crying In The Rain en Wake Up Little Susie. Van Fats Domino Blue Monday en van Elvis Jailhouse Rock.

Uit die tijd herinner ik mij levendig de benaming Ambonees. Het viel mij op dat de jongste dochter van naar ik meen een jaar of zes steeds werd geplaagd door een oudere broer, bij voorkeur door in het donker zijn zusje de stuipen op het lijf te jagen met de gewoonte om onder bed of vanuit een kast met een diepe stem enigszins hijgend ‘de Ambonees’ te roepen. Het meisje begon dan angstig te gillen. De broer had zo de grootste lol en deed dit bij herhaling tot ergernis van de andere zussen. Ook ik kon het een keer niet laten, toen het meisje haar fiets in de kelderruimte stalde en het licht na enkele seconden automatisch uitging, om vanuit de gesloten kelderbox haar broer na te doen met ‘de Ambonees’, zonder te beseffen wie en wat de woorden betekenden.

Veel later, in de jaren zestig, raakte ik pas met Molukkers bekend, toen een Molukse dame aan de deur kwam met de mededeling dat er kortgeleden een groep Molukse gezinnen in Alphen aan den Rijn hun intrek had genomen in een speciaal voor hen gebouwde woonwijk. Zij stelde zich ten doel de Alphense bevolking voor te lichten over deze groep mensen en de achtergronden van hun mogelijk tijdelijk verblijf in Alphen en Nederland te schetsen. En om aandacht te vragen voor de (naar haar inzicht) onjuiste politieke handelwijze van de Nederlandse regering naar deze families. Haar naam was mevr. Frieda de Koning – Matulatuwa. Vele jaren later heb ik haar persoonlijk leren kennen en ook haar man Koos. Ze woonden al geruime tijd in Alphen voordat de Molukse wijk werd gebouwd.

Echt in aanraking komen met Molukkers gebeurde pas daarna.Van 1961 tot 1966 verbleef ik in Amsterdam waarbij ik een paar weekenden per jaar Alphen bezocht en bij mijn moeder nog altijd een kamer had om te overnachten. In 1966 keerde ik terug in Alphen. Ik bezocht jongerencentra en andere ontmoetingsplaatsen en er ontstond vriendschap met Molukse jongens en zeer verborgen met Molukse meisjes. In die tijd was er veelal een strenge controle door vaak een oudere broer die als een arend over zijn zus of zusjes heen bleef vliegen. Pas later heb ik leren begrijpen dat zulks een erecode is in familieverband en dat deze bescherming een zekere rust bracht bij de ouders van de jonge dames. De tijd is wel veranderd, maar ik waag nog geen namen te noemen om niet alsnog een pak slaag te krijgen. Naarmate ik de cultuur en gewoonten ging ervaren en begrijpen, ontstond er in toenemende mate respect. Het gaf mij ook de impuls om te luisteren en te onderzoeken wat de werkelijke betekenis was van de RMS-gedachte en het aanhangen van deze droom. Er ontstond met tientallen Molukkers een hechte vriendschap, zowel met ouderen als leeftijdgenoten. We konden gezamenlijk genieten van de naar mijn opvatting exclusieve humor van dit volk. Ik heb geen behoefte een wit voetje te halen bij deze medeburgers, maar vind het toch een eer om met hen te gedenken, te geloven en samen aan iets te bouwen. Zoals destijds rond een gebeurtenis in 1976 naar aanleiding van de kapingen, waarop ik in een vervolg nader zal ingaan.