Een vreemde eend in de Molukse bijt

In 1965 vestigden tachtig Molukse gezinnen zich in de Bomenbuurt, bij de Rijnhaven, bekend als de Molukse wijk. Zij kwamen uit een zevental plaatsen, waar zij in veelal houten woonbarakken verbleven. Het aantal gezinnen is inmiddels gegroeid tot ruim driehonderd nu. Zij vormen een hechte gemeenschap, trots als zij zijn op hun Molukse cultuur.

In 2015 wordt het vijftigjarig bestaan van de Molukse gemeenschap alhier herdacht, waarbij het Molukse erfgoed centraal staat. Er wordt onder andere een gedenkboek uitgebracht en een speciale tentoonstelling gehouden. Dit alles onder leiding van een stuurgroep die in De Viersprong een vaste rubriek mag verzorgen. Onderstaand de vierde bijdrage, dit keer geschreven door Chris F. van Fraassen, die tegenwoordig in Goes woont.

 

Sidi1

 

Een vreemde eend in de Molukse bijt

Op 23 maart 1969 was er in de Molukse kerk te Alphen aan den Rijn een bijzondere belijdenisdienst en bij die gelegenheid zat ik – schrijver dezes – als een ‘vreemde eend in de Molukse bijt’.

Hoewel van huis uit een puur Zeeuwse jongen, had ik van jongs af aan een bijzondere belangstelling voor de voormalige koloniën. Die belangstelling werd nog aangewakkerd tijdens vakantiewerk op het Zeeuwse platteland, waar naast het Zeeuws ook Maleis werd gesproken, onder anderen door Molukkers. Voor mij ging een deur naar een intrigerende wereld op een kier. Van die vreemde wereld wilde ik meer leren kennen en ik ging mezelf Maleis/Indonesisch leren.

In 1966 begon ik in Leiden aan de studie Niet-Westerse Sociologie, met als doel onderzoek te kunnen doen in Indonesië. In het bijzonder ging mijn interesse uit naar de Molukken, mede omdat de Molukken en de Molukkers zo’n prominente rol hadden gespeeld in de geschiedenis van Nederlands-Indië.

Belangstelling voor de Molukken kan niet zonder belangstelling voor Molukkers in Nederland en zo kwam het dat ik in 1968 terecht kwam bij de Molukse kerk te Alphen aan den Rijn, vanuit Leiden de dichtstbijzijnde Molukse gemeente. Op zondagmorgen bezocht ik de dienst in de kerk en door de week volgde ik de belijdeniscatechisatie. Het Maleis van de kerkdienst en van de catechisatie vormde voor mij geen groter probleem dan voor mijn Molukse leeftijdsgenoten. Het Maleis in de kerk wijkt namelijk aanzienlijk af van het Maleis in de dagelijkse omgang. Niet alleen ik moest mijn best doen het kerk-Maleis te begrijpen, dat gold ook voor mijn Molukse mede-catechisanten.

Wie mij van de catechisatie vooral is bijgebleven, is ouderling Oom Ririassa, die de middelbare leeftijd reeds was gepasseerd en een prachtige witte haardos had. Hij was een weduwnaar met zeven zonen, geen dochters, en straalde een soort aartsvaderlijk gezag uit.

Op zondag 23 maart was de belijdenisdienst en na afloop daarvan werd een groepsfoto gemaakt van de naar Molukse traditie in bruiloftskleding gestoken jonge lidmaten, impliciet een verwijzing naar de Kerk als de bruid van Christus. De dag werd afgesloten met feestmaaltijden thuis; voor mij was dat aan huis bij de voorganger J.D. Sitanala.

Mijn belijdenis in de Molukse kerk in Alphen heeft nog een lang vervolg gekregen. In 1971 ben ik naar Indonesië vertrokken. Daar heb ik voor het schrijven van mijn doctoraalscriptie negen maanden lang onderzoek gedaan op Ambon en na mijn afstuderen ben ik tot op de dag van vandaag bezig gebleven met het bestuderen van vooral de geschiedenis van de Molukken en de Molukkers.